Chamonix is misschien wel de heilige grond van het trailrunnen. Elke zomer stromen duizenden lopers naar het Mont Blanc-massief voor de UTMB, een race van 175 kilometer, 10.000 hoogtemeters, nul uur slaap. In de wereld van het trailrunnen haalt niemand er een wenkbrauw voor op. Daar is dit gewoon weekendmateriaal.
Luciano had er vier jaar op gewacht.
Vier jaar loterij
Het begon in 2020. Luciano verheugde zich op zijn eerste lange run, de Rotterdam Marathon. Die werd afgelast vanwege corona. We gingen op roadtrip door Zwitserland. Terwijl ik alpenpanorama’s aan het uitstippelen was, wist hij last minute een startbewijs te scoren voor de Matterhorn Ultraks in Zermatt. Een skyrun van 50 kilometer waarbij de bergen je niet uit de weg gaan, maar je dwingen ze op eigen kracht te beklimmen.
Na die finish wist hij het. Niet in woorden, maar in gedrag: de races werden langer, de hoogtemeters hoger. Hij begon stones te sparen, dat mysterieuze loterijsysteem waarbij je jaren inlegt voor één simpel mailtje. Het bracht ons naar Zweden, Zwitserland, Frankrijk, Tenerife, België en Zuid-Korea. En toen kwam dat mailtje.

Voor Luciano voelde die finish toen al bijna als de UTMB. Niet in kilometers, maar in beleving: volledig gesloopt, enorm trots, en ineens nieuwsgierig naar wat er nog meer mogelijk was. Vanaf dat moment volgden er steeds langere ultratrails en begon hij stones te sparen, dat mysterieuze loterijsysteem waarbij je hoopt op dat mailtje: gefeliciteerd, je bent ingeloot. Vier jaar lang werd elke race automatisch een ticket richting zijn droom naar de Mont Blanc. Het bracht ons in Zweden, weer Zwitserland, Frankrijk, Tenerife, België en zelfs Zuid-Korea. En toen kwam dat mailtje.

Onder de startboog in Chamonix
We reden een paar maanden later door Frankrijk richting Chamonix, via een route die zo willekeurig was dat een AI het tijdens een van z’n bekende hallucinaties had kunnen verzinnen. Disneyland, Fontainebleau, de Gorges du Verdon. Veel Franse clichés in een reis.
Het hotel was veel te duur. Maar met het krankzinnige aanbod-en-vraagspel tijdens de UTMB heb je weinig te kiezen. Buitenzwembad, spa, balkon met uitzicht op een gletsjer. Ik dacht: hier kan ik me tot dinsdag prima in mijn eentje vermaken. Dat was de theorie.
Kleine tip uit ervaring: als je ooit zelf wil gaan supporten, boek je hotel gerust al vóór je weet of je wordt ingeloot. Annuleren kan altijd; een kamer vinden op het laatste moment is een sport op zich. Wij sliepen in het La Folie Douce Hotels Chamonix.


De start
De racedag begon om half vijf. Op het plein voor de start stonden we tussen renners en supporters, onderdeel van een chaos die aanvoelde als een festival. Koebellen, vlaggen, de muziek van Vangelis. Kippenvel voor iedereen.
Toen het startsignaal klonk, kwam het hele veld in beweging. Zeven minuten lang verdween een eindeloos lint van lopers de bergen in. Luciano verdween daarin. 175 kilometer voor de boeg. Een of twee nachten weg. Nog niemand die het wist.
Ik liep terug naar het hotel. Mijn schema lag klaar.



Checkpoint chaos
Daarna volgde ik de wedstrijd zoals bij elke race waaraan Luciano meedoet: live vanuit mijn hotel. Eten schoot erbij in, want ik had amper tijd. Ik moest me snel klaarmaken om op tijd bij het eerste checkpoint te zijn. Les Contamines is namelijk een van de eerste én een van de weinige plekken waar supporters hun loper echt mogen helpen.
Luciano had me de avond ervoor nog een lijstje gegeven met spullen die hij onderweg nodig kon hebben: droge shirts, nieuwe gels, stroopwafels, frictiecrème en een paar kleine dingen die niet meer in zijn trailrunvest pasten. Zijn dropbag zou hij pas de volgende ochtend zien, dus tot die tijd was ik zijn mobiele magazijn, compleet met noodvoorraad en stressplanning.
Supporters mogen niet overal komen. Les Contamines is een van de eerste plekken waar je je loper echt mag helpen, en dus pakte ik de bus. Het was donker. Onderweg stopte de bus telkens voor rijen trailrunners met hun hoofdlampjes al aan. Maar zodra ik uitstapte, was het gedaan met de soepelheid. Het werd chaos. Ik liep meteen verkeerd. De renners kwamen namelijk al van het check point af. Gelukkig liep ik samen met een andere supporter terug, een vriendin van Amerikaanse trailrunner Andrew Gal, die net zo verdwaald was als ik. Toen ik zuchtte dat het nog ver was, zei ze droog: “I hate this.” Ik moest lachen. Ze bleef maar meegaan, inmiddels al 5 jaar. Haar vriend had het geluk steeds ingeloot te worden. Net als ik, al jaren trouw bij elke long-distance race langs het parcours.
Binnen in de checkpoint was het één grote chaos. Supporters met tassen vol droge kleren, lopers die op bankjes in elkaar zakten en een geur die bestond uit zweet, regenjasjes en natte sokken. Luciano kwam binnen, wisselde zijn sokken, at wat, kreeg frictiecrème en liep twintig minuten later weer vrolijk de regen in.
Wat ik pas veel later hoorde: terwijl ik doorweekt in een bus zat, liep hij op dat moment door een nacht die alles behalve vriendelijk was. Regen, sneeuw op de passen en temperaturen tot -6°C. De afdaling werd een soort glijbaan van blubber waar je geen keuze hebt behalve naar beneden struikelen. Luciano zei later dat hij liever nog een extra regenbui had gehad om al die kilo’s modder van zich af te spoelen. Troost: iedereen zag eruit alsof ze net door een natuurdocumentaire waren gekropen.
Zijn benen voelden goed, zei hij, maar eten lukte nauwelijks. Watermeloen, bouillon, en af en toe zo’n gel die je binnenkracht met leugens probeert op te peppen. Terwijl ik schema’s zat te maken in een hotelbed, lag hij op een bergflank even in het gras naar de Mont Blanc te kijken, gewoon om te voelen dat hij nog leefde. Zo liepen we beiden onze eigen race, in compleet andere werelden.
Supportersnacht
Ik had minder geluk: een busrit van anderhalf uur terug en daarna vijftien minuten stromend nat naar het hotel. Mijn schoenen sopten bij elke stap, alsof ik met sponzen liep. Terwijl Luciano verder rende, liep ik in stilte terug naar de bus, net zo doorweekt als de lopers die ik net had aangemoedigd.
Daarna volgde ik de wedstrijd vanuit mijn hotelbed. Mijn hele avond draaide om één ding: berekenen of ik de volgende dag op tijd bij het checkpoint in Courmayeur, Italië kon zijn. Mijn notities, de LIVE-app, de voorspelde tijden… alles lag open. Mijn lijf was moe, maar mijn hoofd was bezig met tijden, hoogtemeters en busroutes. Een soort supportersschema dat elke paar minuten veranderde.
In de loop van de nacht kwam het bericht dat de passage over de Pyramides Calcaires was geschrapt door storm en hagel. Die eerste nacht in de bergen was sowieso meedogenloos: hagel, kou, wind en 4 °C op de passen. Voor de ochtend waren al honderden lopers uitgevallen. Het geschrapte stuk was een technisch stuk op hoogte, te gevaarlijk om duizenden lopers overheen te sturen. De route werd ingekort en daardoor zouden de koplopers veel eerder dan gepland in Courmayeur zijn. Mijn berekeningen konden opnieuw.
Tussen al dat supportersgedoe door is het leuk om te weten waar de UTMB eigenlijk vandaan komt. De race werd ooit bedacht door Michel en Catherine Poletti. Michel liep zelf bergmarathons en droomde van een volledig rondje om de Mont Blanc. Catherine, beeldend kunstenares en organisator in hart en nieren, bouwde die droom uit tot het wereldwijde spektakel dat het nu is. Grappig detail: ze heeft zelf nooit een ultratrail gelopen, maar zette wel het podium neer waarop duizenden lopers hun eigen droom najagen.
Courmayeur
De volgende ochtend zat ik als een van de eersten in de bus naar Courmayeur, Italië. Halverwege de rit appte Luciano dat hij het zwaar had. In die rammelende bus zette ik snel een Instagramstory online met een sticker: klik voor een applausje. Binnen een paar minuten stroomde het vol. Zelfs oude trailmaatjes reageerden. Het deed me goed om te zien hoeveel mensen meeleefden, en zijn geschatte aankomsttijd sprong ineens een stuk naar voren. Alsof al dat digitale geklap toch ergens Luciano bereikte.
Hij vertelde me later dat de afdaling naar Courmayeur volgens iemand de steilste van de UTMB was. Hij heeft er blijkbaar een soort skyrace van gemaakt. En eerlijk: ik geloof meteen dat dat waar is, want hij kwam binnen alsof hij op pure wilskracht de zwaartekracht had genegeerd. Het plan was simpel: droge kleding, eten dat hopelijk bleef zitten, en klaar voor deel twee.
De bus reed Chamonix uit en dook de lange tunnel in die Frankrijk met Italië verbindt. Toen we de Italiaanse kant uit rolden, kleurde de lucht roze, de dag was begonnen. De toppen hier zijn minder dramatisch dan in Chamonix, maar nog steeds prachtig, alsof je ineens in de kern van de bergen zit.
Bij de bushalte zag ik iemand met een dampende koffie staan, precies op het punt waar de trail voorbij liep. De ochtendstilte van Chamonix voelde ineens ver weg. Hier in Courmayeur was de sfeer al goed aanwezig: supporters die nog half sliepen maar wel vastbesloten waren om als eerste een koffietje te bemachtigen.
Ik vroeg waar de koffie vandaan kwam en liep meteen die kant op. Binnen een paar minuten had ik een verse koffie en twee croissants voor nog geen vijf euro. De prijs waarvan je automatisch twijfelt of er een paar euro te weinig op het bordje staat. Italië blijft Italië. Ondanks de ochtendsprint van supporters die dringend cafeïne nodig hadden, bleef het personeel kalm en vriendelijk. Alsof dit gewoon een normale zaterdag was en niet een dorp dat al vóór zonsopkomst vol trailstress stond.

Met koffie en croissant in de hand liep ik richting de sporthal, het kloppende hart van Courmayeur tijdens de UTMB. De eerste supporters stonden al in de rij voor de ingang, sommigen nog half in slaap, anderen met precies die bezorgde blik die ik inmiddels goed herken. Je mag hier pas tien tot vijftien minuten voor de aankomst van je loper naar binnen. Iedereen hing dus in de UTMB LIVE-app alsof dat ding een soort aandelenmarkt was die elk moment kon crashen.
Ik stond bij een hoekje waar ik Luciano zou zien binnenkomen. Toen hij eraan kwam, rende ik met mijn koebelletje een meter of tien mee, net lang genoeg omzodat ik weer richting de ingang voor supporters kon rennen. Bij de deur liet ik de app zien die meldde dat mijn renner “over tien minuten binnen zou zijn”, terwijl hij praktisch al naast me stond net. Typisch UTMB-timing.
Binnen was het weer complete chaos, maar iets georganiseerder dan de avond ervoor. Een vrijwilliger wees ons een plek toe. Vrij betekende hier: een hoekje van een picknickbank waar drie andere supporters al hun halve voorraad aan eten en kleding hadden uitgestald. Overal bewoog iets of iemand. Lopers die op bankjes hingen, supporters die met tassen heen en weer liepen, vrijwilligers die onverstoorbaar doorwerkten.


Courmayeur is een bijzonder checkpoint. Het is een van de weinige plekken waar supporters daadwerkelijk naar binnen mogen om hun loper te helpen. Halverwege de race, wanneer iedereen nog half in de nacht hangt, krijgen de lopers hier ook hun dropbag terug. Die tas die ze dagen eerder inleverden, gevuld met droge kleren, eten en de spullen waarvan ze toen dachten: dat ga ik nodig hebben.
En toen gebeurde er iets wat ik alleen in een ultratrail-sporthal zou verwachten: bij een picknicktafel stond een man doodleuk in zijn blote kruis. Shirt nog aan, broek uit, alsof dit het meest logische moment was. Dat was het voor hem waarschijnlijk ook. Niemand keek ervan op. Ik besloot het net zo stijlvol te negeren en liep verder met mijn bord pasta naar Luciano, die even later zelf in zijn onderbroek zat alsof dat de officiële Courmayeur-dresscode was.
Luciano haalde zijn dropbag op, verruilde zijn vochtige kleding voor droge spullen en at de pasta en meloen die ik voor hem haalde.

Supporterslogistiek is ook, ehm, een sport
Na Courmayeur wilde ik door naar een volgend punt, maar de tunnel naar Frankrijk zat muurvast. De bus zou er meer dan een uur over doen en de kans was groot dat ik Luciano alsnog zou missen. Bovendien was ik zelf gesloopt: tweeënhalf uur slaap, natte kleren en een hoofd vol schema’s.
In de middag zat ik op het plein voor ons hotel in Chamonix, dat tot mijn verrassing de plek bleek om de race te volgen. Buiten stond een groot scherm, er waren strandstoelen en je kon wijn en snacks bestellen alsof je op een zomeravond naar een film keek, in plaats van naar mensen die 175 kilometer door de Alpen ploegen. Een rare gewaarwording. Rond één uur in de middag liep ik naar de route in het centrum om de nummer een, Tom Evans, voorbij te zien rennen. Hij stond al uren aan kop en trakteerde het publiek na zijn finish op een shoey: een slok Red Bull uit zijn eigen schoen.
De laatste muur
Terwijl ik in Chamonix mijn wekker zette en half slapend de app bleef verversen, liep Luciano de tweede nacht in. De nacht die veel lopers de das om doet. Donker, stil en lang genoeg om je hersenen te laten twijfelen of iets echt is of dat je hallucineert. Hij kwam een vrouw tegen die in paniek was door slaaptekort-hallucinaties. Iemand liep hand-in-hand met haar een afdaling af. Hij hoopte dat ze een powernap had genomen en door kon.
Zelf besloot hij wakker te blijven. De laatste 50 kilometer leken dichtbij, maar de klimmetjes? Not so much. Op een gegeven moment zei hij dat het voelde alsof hij aan het dromen was terwijl hij iemand voor zich volgde. De gedachten in zijn hoofd waren wartaal, maar zolang de loper voor hem op het juiste pad zat, moest het goedkomen. En dan maar hopen dat die loper geen hallucinatie was.
Toen de zon opkwam, kwam zijn humeur terug. Eindelijk weer zin om te eten. En dat laatste stuk? Dat liep hij alsof hij ergens een extra accu had ingeplugd.
Zondagochtend scheen eindelijk de zon. Luciano daalde af richting Chamonix, terwijl het uitvallerspercentage richting een derde kroop. Ik zette om vijf uur nog een wekker, hopend dat hij rond zes of zeven uur zou finishen. De app was onverbiddelijk: hij hing nog bij Vallorcine. Dat is misschien wel het vervelendste aan supporter zijn: je leeft mee, maar je leeft ook met wat de app je vertelt.
Een paar uur later
De ochtend kroop langzaam over Chamonix heen. Ik liep richting het centrum, op zoek naar een plek langs het parcours. De lucht was fris, maar de zon hing al boven de gletsjers alsof ze wist: het laatste stuk hebben jullie verdient.
Langs de route stonden supporters in slordige rijen, nog half slaperig maar klaar om te juichen. Ik keek weer naar de app, verbeeldde me dat hij sneller zou rennen als ik de app streng genoeg aankeek. Luciano’s bolletje schoof langzaam richting Chamonix. Op zulke momenten staat de tijd stil. Je luistert naar het geroezemoes dat aanzwelt zodra ergens een renner de hoek om komt. Zijn live locatie stond ook aan, dus ik wist precies waar hij zat. En toen verscheen zijn naam in de lijst met “arriving soon”.
Finish in Chamonix
Ik stond klaar met mijn camera, ergens tussen familieleden, net-gefinishte lopers en fotografen die allemaal hun eigen kleine territorium bewaakten. Terwijl ik een foto wilde maken, schoof een fotograaf me opzij. Ik snap het, iedereen probeert hier geschiedenis vast te leggen, maar voor ons was dit zo’n moment dat je eigenlijk niet wil delen met tien vreemden en een rij brutale fotografen. Dus ik was wat gepikeerd.
Toen Luciano eraan kwam had ik schijt, ik bukte wel een beetje maar hallo dit was onze once in a life time momentje? Luciano zei later dat die laatste kilometers een soort droom waren. Niet de zweverige manier, maar dat gevoel dat je weet dat je er bijna bent, maar je lijf het nog even vol moet houden. Bij de laatste afdaling van zeven kilometer heeft hij blijkbaar nog mensen ingehaald. Ik maakte foto’s met mijn spiegelreflex, en ergens tussendoor filmde ik een korte verticale clip voor zijn Instagramstory.

Het voelde alsof de hele 175 kilometer zich samenkneep tot dat ene laatste stukje. Uiteindelijk finishte hij rond half tien, bijna 24 uur later dan de nummer 1. Maar hij was er nog en op dat moment had een derde van het startveld de strijd al moeten staken.
We gaven elkaar een knuffel die meer leek op twee mensen die elkaar overeind houden. Omdat we hier niet lang mochten blijven hangen, vroeg ik iemand om een foto van ons te maken. “Onze renner komt er zo aan,” zei zij, vriendelijk maar gehaast. Ik knikte en zocht verder tot iemand anders wel even tijd had. Een snelle klik, dat was genoeg. Wat een chaos. Tot het ineens stil viel. Niet letterlijk, maar in ons hoofd. Die merkwaardige stilte die ontstaat zodra de finishlijn is overgestoken en je ineens merkt dat niemand je vertelt wat de bedoeling is. Moet je ergens melden? Wordt er nog iets overhandigd? krijg je een medaille? Het finishvak bood geen enkele aanwijzing. We stonden daar gewoon, een beetje verloren. Uiteindelijk vonden we onze weg naar een plek waar je je finishersvest kon ophalen.
en je ineens merkt dat niemand je vertelt wat de bedoeling is. Moet je ergens melden? Wordt er nog iets overhandigd?
En ik? Ik had ook een soort finish. Na twee dagen bussen, wachten, regen, weinig slaap en eindeloos rekenen was mijn supporters-ultra klaar. Geen startnummer of vestje wel een verhaal dat ik niet snel vergeet. De laatste race?




