Er was iets aan IJsland dat al jaren aan me trok. Alsof dat eiland ergens zachtjes bleef roepen: kom nou. Alleen wist ik nooit waar ik moest beginnen. Hiken wilde ik wel, plannen iets minder. Toen we de Laugavegur Trail ontdekten, een route die in lijstjes wordt beschreven alsof je even van planeet wisselt, klikte er iets. Helemaal toen we zagen dat je grote delen van die trail kunt lopen via The Iceland Trail, een trektocht waarbij je zelf wandelt maar de organisatie voor je wordt geregeld.
Dus schreven we ons in. Zeven dagen langs rhyolietbergen, zwarte woestijnen, ijskoude rivieren en campings waar de wc’s soms zo naar ammoniak roken dat je je afvroeg of je dit wel zou overleven. We kregen zandstormen over ons tentje, sneeuw op hoogte, pijnlijke knieën in de afdaling en aten 7 dagen uit zakjes. We’ve seen it all. En toch, of misschien juist daardoor, werd het een van de mooiste weken die ik ooit op mijn wandelschoenen heb doorgebracht.
In dit blog neem ik je mee door die week. Met tips, verhalen die me zijn bijgebleven en waarom deze trail zoveel meer bleek dan alleen een wandeltocht en dat ook voor jou kan zijn.
Mocht je tijdens het lezen denken: dit wil ik ook, onderaan staat de preregistratie voor 2026, mét Early Bird toegang.
Waarom The Iceland Trail
Wat The Iceland Trail zo fijn maakt, is dat het precies tussen twee werelden in zit: je loopt en kampeert zelf, maar je hoeft niet dagenlang routes, campings en noodplannen uit te zoeken. Het is zeven dagen door het rauwe, buitenaardse binnenland van IJsland trekken, waarbij je drie dagen lang stukken van de legendarische Laugavegur Trail meepakt. Je slaapt in je eigen tent, waadt door rivieren zo koud dat ik er speciale canyoningsokken voor had meegenomen, en wordt elke ochtend wakker op plekken die bijna te surrealistisch voelen om echt te zijn.
In vijf wandeldagen loop je van de felgekleurde rhyolietbergen van Landmannalaugar naar het groene gletsjerdal Þórsmörk. Onderweg stap je over dampende lavavelden, pikzwarte zandvlaktes en rivieren die je voeten in een seconde veranderen in ijsblokjes. Tenzij je canyoningsokken draagt, natuurlijk; beste aankoop van de hele trip. Je tent staat naast eenvoudige shelters, en de Nederlandstalige gidsen geven je precies genoeg houvast zodat je niet verdwaalt, zonder dat het avontuur verloren gaat. Want dat is wat veel mensen denken bij een groepsreis: dat het te georganiseerd is. Ik bedoel: ik dacht het ook. Maar hier voelt het eerder alsof je een duwtje in de rug krijgt, en de rest gewoon zelf mag ontdekken.


Voor we de trail induiken…
Maar voor ik je meeneem de trail op, is het handig om even te weten hoe The Iceland Trail werkt. Want het is geen groepsreis waarbij je in de rij achter een vlaggetje loopt, maar ook geen ‘zoek het zelf maar uit’-expeditie.
Wat zit er standaard in je reis
Of je nu zelf een vlucht boekt of via The Iceland Trail reist, dit zit er altijd bij:
- Een uitgestippelde route en volledige organisatie
- 5 kampeerovernachtingen naast shelters op de Trail
- Begeleiding door Nederlandstalige gidsen
- Een app met alle info (en trailroutes) over The Iceland Trail
- Alle busvervoer van en naar de trail
Daarnaast kun je extra’s bijboeken, zoals foodpacks, bagagetransport, tenten, wandelstokken, transport vanaf Reykjavik en kampeermateriaal. Wij waren vooral fan van het foodpack, want eerlijk: wie weet nou op gevoel hoeveel eten je nodig hebt voor vijf dagen hiken? Ik zou twee tassen nodig hebben voor mijn bagagetransport.
Kennismaking met IJsland
We vlogen vanuit Amsterdam naar Keflavík, een vlucht van zo’n drie uur. Korter dan ik had verwacht, zeker als je ziet waar IJsland op de kaart bungelt. Op het vliegveld spotten we al snel onze vermoedelijke medereizigers: outdoorbroeken, wandelschoenen, backpacks… het was niet bepaald een lastige puzzel.
Onze Iceland Trail-gids kwam ons ophalen, checkte de namen en gooide meteen wat grappen tussendoor waardoor iedereen ontdooide. Na de bus naar het base camp duurde het nog geen veertig minuten voordat het avontuur begon: tent opzetten, slaapzak uitrollen, spullen sorteren en de eerste gesprekken met de mensen die die week onze wandelburen zouden zijn. Grappig genoeg bleken dat later precies de mensen te zijn met wie ik het meeste contact had.
Om acht uur kregen we de uitgebreide briefing van de gidsen. Wat we konden verwachten, hoe de week eruitzag, welke gevaren er waren en vooral: welke fouten eerdere deelnemers hadden gemaakt. Verdwalen op een groot zwart veld, bijvoorbeeld. Iets wat wij volgens hen niet hoefden mee te maken.
Spoiler: dat gebeurde toch.
Verdwalen op een groot zwart veld, bijvoorbeeld. Iets wat wij volgens hen niet hoefden mee te maken.
Spoiler: dat gebeurde toch.
De gidsen Inge, Bruno en Joey bleken trouwens goud. Ervaren, relaxed en altijd bereid mee te denken. Ik vertelde meteen dat ik nog herstellende was van een knieblessure en Bruno zei: geen probleem, ik heb nog een kniebrace voor je. Dat gaf meteen rust. Joey oogde in het begin een beetje streng, het type gids waarbij je je afvraagt of je wel een stomme vraag mag stellen over je wandelstokken. Dat maakte hem niet minder, maar ik hield me de eerste dag toch een beetje in. Later in de week bleek hij juist heel benaderbaar en had hij een droog soort humor dat perfect bij de trail paste. Hij moest ons gewoon even leren kennen. En wij hem.

Zo begon onze week op The Iceland Trail
Afstand: 11 km
Stijging: 402 m | Daling: 380 m
Wandeltijd: 4-5 uur
Zelfs de busrit naar Landmannalaugar voelt al als een avontuur. Vanuit kleine dorpjes, waar iedereen nog snel de laatste boodschappen inslaat, rijd je zo de ruige maanlandschappen in, over hobbelige gravelwegen en dwars door ondiepe riviertjes. Een prima voorproefje van wat ons de rest van de week te wachten staat.
Aangekomen op de camping voelt het alsof we in een basecamp staan dat zo uit een Everest-documentaire komt, alleen dan zonder de achtduizenders. Kleurrijke tentjes in een verder bijna buitenaards landschap, maar wél met een paar verrassende luxe extra’s: een oude bus die dienstdoet als supermarktje, een warm huisje met douches en wc’s, en iets verderop de beroemde hot springs.

We zetten onze tent op terwijl gids Inge langswandelt om te checken of alles goed gaat. Gelukkig hebben we na jaren kamperen een soort tent-sixth-sense ontwikkeld, als dat een ding is. Niet veel later krijgen we een goedkeurend knikje. Daarna maken we snel een zak Adventure Food klaar en om drie uur ’s middags beginnen we aan onze eerste hike. Normaal levert zo’n late start wat stress op, maar in de IJslandse zomer blijft het bijna de hele dag licht, dus het voelt allemaal heerlijk ongedwongen.


Tijdens de klim naar de top van Suðurnámur raakte ik zo in gesprek met groepsgenoot Lenne dat we opeens verdacht alleen liepen. Nog geen half uur onderweg en we hadden al een afslag gemist. Oeps. Even verderop zagen we mijn vriend, Luciano en de rest van de groep keurig als kleine mieren hoogtemeters maken, links van ons.


Bovenop Suðurnámur was het uitzicht waanzinnig. Aan de ene kant donkere lavavelden, aan de andere kant een vallei vol kronkelige rivieren die van bovenaf op aders lijken. Eenmaal beneden bleken sommige van die ‘adertjes’ toch breder dan gedacht. Af en toe moest er worden gesprongen, een prima generale repetitie voor de rivieren van morgen. En de dagen erna, helaas.




Tip: neem een oogmasker mee als je echt goed wilt slapen, want donker wordt het hier nauwelijks.
Zwaarste dag, mooiste uitzichten: welkom op de Laugavegur
Afstand: 24 km
Stijging: 490 m | Daling: 680 m
Wandeltijd: 8-9 uur
Vandaag stond de eerste echte wandeldag op het programma. Niet dat die 11 kilometer gisteren niets voorstelde, maar dit was de dag waarvoor ik naar IJsland kwam: de Laugavegur Trail op, de beroemde kleurrijke rhyolietbergen in. Regenboogbergen die ik al maanden in mijn hoofd had zitten en waarvan ik bang was dat ze er in het echt toch iets minder spectaculair uit zouden zien.
We begonnen rustig, langs borrelende lavavelden waar je blijft fotograferen, al loop je soms toch wat sneller door vanwege die typische rotte-eierenlucht. Daarna doken we sneeuwvlaktes en ijsbruggen op, met op de achtergrond landschappen die op Mars leken. Geen wonder dat IJsland zo vaak wordt gebruikt als buitenaards decor.


En dan waren er nog de beruchte rivieroversteken. Thuis had ik er al lichte stress van, want ooit stond ik in Yosemite huilend aan de oever van een ijskoude rivier omdat mijn voeten de kou niet trokken. Na wat nachtelijk Google-onderzoek vond ik de oplossing: neopreen sokken voor canyoning. Ik droeg ze in de watersandalen die ik eerder dat jaar tijdens het raften in Turkije had gekregen. En echt, bijna iedereen stond te bibberen behalve ik. Het water kwam hoger dan mijn enkels, dus mijn benen waren alsnog gevoelloos, maar mijn voeten? Nergens last van.
Check deze paklijst voor de Laugavegur trail voor een link naar de neoprene sokken.

Halverwege bereikten we Hrafntinnusker, het hoogste punt van de route. De afgelegen ligging en het grillige weer geven het gebied iets rauws, alsof je hier eigenlijk alleen kort hoort te zijn. Ik vond het fantastisch, al was ik ook blij dat we niet hoefden te kamperen: de wind gierde om de enige tent die werd opgezet en de wc’s roken zo sterk naar ammoniak dat die geur nog uren met je meereisde. Mocht je mogen kiezen, sla deze camping vooral over, al is het maar voor je neus.
Vanaf daar doken we de afdaling in, gletsjers als achtergrond. Na nog een rivieroversteek, inmiddels bijna routine (wie had dat gedacht), kwamen we aan bij het meer van Álftavatn. De wind trok aan, er viel wat regen en de avondhike liet ik, net als bijna iedereen, aan me voorbijgaan. Luciano natuurlijk niet. Die beklom met groepsgenoot Matthieu nog even een heuvel voor een extra uitzicht, alsof er die dag nog niet genoeg hoogtemeters waren gemaakt.
Ons tentje stond bijna aan het water, de wind trok aan de tent en onze, of eigenlijk mijn benen voelden alsof ik heel veel had gelopen. Maar dit zijn die zware wandeldagen waarop je ineens weer weet waarom je dit allemaal doet.
Afgedwaald op Reflection Day
Afstand: 15 km
Stijging: 260 m | Daling: 258 m
Wandeltijd: 4-5 uur
Dag vier begon bijna surrealistisch: regenbogen achter de tenten, fel afstekend tegen het donkere maanlandschap. De wind stond zo strak dat iedereen pauzes inlaste tijdens het afbreken van de tent, omdat je anders het risico liep dat je spullen richting Reykjavík vlogen. Een keer sprintten we naar een groepsgenoot om haar tent tegen de wind te redden. Ondertussen speelde een vrouw uit een andere groep op een houten fluitje, waardoor de stormachtige ochtend op de een of andere manier toch een andere sfeer kreeg.
Het was een dag die bekendstaat als Reflection Day. En dat klopt: lavavelden, diepe kloven en lange stukken waarop je hoofd vanzelf tot rust komt. Nou ja, tot je ineens merkt dat je vol enthousiasme een conversatie volgt en langzaam van de route afdwaalt. Luciano en ik liepen samen met drie anderen, volledig opgaand in een gesprek, en zonder dat iemand het doorhad dreven we steeds verder naar rechts. Toen ik achterom keek, liep de rest van de groep opeens een stuk links van ons. Later bleek dat gids Bruno al had gefloten, meerdere keren zelfs, maar dat fluitje was compleet aan ons voorbijgegaan. Geen moment dacht iemand: hé, misschien gaat dit niet helemaal goed. Tot Luciano de Iceland Trail-app maar eens opende en we het blauwe lijntje ver buiten beeld zagen liggen.
Oeps.

We probeerden de wandelaars voor ons nog terug te roepen, maar de wind had daar geen boodschap aan. Het stemgeluid waaide de verkeerde kant op. Gelukkig zagen we even later Bruno breed zwaaien vanaf de juiste route, alsof hij ons naar de gate wilde brengen. We konden makkelijk afsnijden, al vermoed ik dat we binnenkort in een nieuwe waarschuwingsvideo verschijnen met de titel: “Hoe het níét moet.
Even later volgden nog een paar rivieren. Ze werden dieper en breder en dus gaven gidsen Bruno, Inge en Joey een kleine live-demo: hoe je alleen oversteekt, hoe je samen oversteekt en hoe je niet omvalt.




De stevige wind blies het zand alle kanten op, dus trok ik mijn buff hoog over mijn gezicht. Hoe dichter we bij Emstrur kwamen, ons basecamp voor die avond, hoe indrukwekkender de gletsjers om ons heen werden. Ik liep een stuk alleen en zag ergens op een heuvel een silhouet waarvan ik dacht: daar heb je Luciano weer. Maar toen ik eindelijk boven stond en hem een stuk lager zag lopen, zakte de moed me eerlijk gezegd even in de schoenen. Ik kon wel janken, zo moe waren mijn benen, ik had wat mentale steun nodig. Later hoorde ik dat hij enorme haast had omdat hij dringend naar het toilet moest, maar absoluut geen zin had om dat ergens halverwege te regelen.
Het kamp lag verspreid over kleine heuveltjes, maar de mooiste plekken lagen helemaal beneden, vlak bij het riviertje. Ik ben nu eenmaal iemand die het liefst in slaap valt met het geluid van stromend water. Die plekken lagen wel het verst van de verhoogde faciliteiten en de plek waar we onze bagage moesten achterlaten. We twijfelden even of we het onszelf niet onnodig moeilijk maakten, maar sommige kampeerplekken zijn simpelweg te mooi om te laten schieten. Dus sjouwden we alles naar beneden, puffend maar tevreden. En ver van een paar harde snurkers uit onze groep.


Na aankomst kon je met gids Bruno nog naar de canyon wandelen om daar te eten. Het was maar een paar honderd meter, maar mijn voeten voelden inmiddels als twee bakstenen, dus ik moest mezelf er even toe zetten. Een paar mensen haakten af, maar Luciano en ik liepen toch mee. Als ervaren Bruno zegt dat iets de moeite waard is, is het ook zo .
En dat klopte. Bij de Markarfljótsgljúfur Canyon viel alles stil. Een 200 meter diepe kloof, donker gesteente dat in lagen naar beneden zakt, felgroen mos dat tegen de wanden kleeft en helemaal onderin een rivier die al duizenden jaren bezig is dit landschap uit te snijden. Je voelt je daar klein, maar op een goede manier. Ineens vergeet je dat je voeten pijn doen.


Terug bij de tent bleek de hele binnenkant onder een laag zand te liggen. In eerste instantie dachten we dat we de rits niet goed hadden dichtgedaan, maar de volgende ochtend vertelden de gidsen dat ze dit zelf ook nog nooit hadden meegemaakt. Het zand was niet gewoon naar binnen gewaaid, het was via elk minuscuul luchtgaatje omhooggekropen en had zich als een soort woestijnmist door de tent verspreid. Ik zag mezelf al wakker worden met een mond vol zand, maar dat viel uiteindelijk gelukkig mee.
Eindigen op het mooiste kamp van The Iceland Trail
Vandaag liepen we van maanlandschappen naar bossen, misschien wel de meest afwisselende dag van de hele tocht. We begonnen in gitzwarte lavavelden die langzaam overgingen in groene heuvels. Op een bepaald moment stond ik precies op de overgang tussen die twee werelden: links zwart, rechts groen. Alsof een liniaal de plek in tweeën had verdeeld.






Aan het eind van de route wachtte de zwaarste rivieroversteek van de trail. Ik had een stuk alleen gelopen en zag in de verte de rest van de groep al verzamelen aan de oever. De rivier was diep, breed en had een stevige stroming. Schoenen uit, waterschoenen aan, broek omhoog, dank aan de uitvinder van afritsbroeken trouwens, tas op de rug en wandelstokken in de aanslag.
Bij elke stap voelde ik de kracht van het water. Mijn wandelstokken gleden over de gladde rotsbodem en ik zette mijn voeten steeds achter elkaar in plaats van breed voor balans. Geen wonder dat ik wankelde. Gids Joey stond achter me, klaar om me eruit te vissen als het misging. Al werd mij dat later verteld, ik dacht dat ik het helemaal alleen had gedaan. Ik haalde de overkant zonder te vallen, maar ik dacht dat het gedaan was. In gedachten zag ik mezelf op mn rug met tas en al weggesleurd worden door de rivier.
Ik liep opnieuw alleen en het pad bracht me langzaam Þórsmörk binnen, het bos van Thor. Dit keer volgde ik de officiële route, wat betekende dat ik eerder bij het kamp aankwam dan een deel van de groep en Luciano ineens weer kon bijbenen. Samen claimden we een van de mooiste plekken op misschien wel de mooiste camping van de hele Iceland Trail: Langidalur.
Een groen, heuvelachtig veld, zon, uitzicht op twee gletsjers en blote voeten in het gras. Terwijl het water borrelde op onze gasbrander voelde het even alsof we in The Shire stonden, het thuis van de Hobbits uit Lord of the Rings. Vanaf hier kijk je uit op een landschap vol vertakkende rivieren en tufsteenformaties, alsof je elk moment een van de draken uit Game Of Thrones achter een heuveltop ziet omhoog vliegen. Wat een plek. En nog iets: ik had voor het eerst tijdens de hike gedoucht. Ik heb me nog nooit zo fris gevoeld.
Douchen kost trouwens zo’n € 8,- op bijna elke camping, behalve die van morgen. Goed om mee te nemen in je planning.





De Tindfjöll-lus en een burger als beloning
Afstand: 11 km
Stijging: 228 m | Daling: 304 m
Wandeltijd: 4-5 uur
Een van de kortere dagen, maar zeker niet de saaiste. We begonnen met een extra lus naar een heuvel bij Tindfjöll, een stuk dat meteen voelde alsof we weer een compleet nieuw landschap binnenstapten. Vanaf de camping trokken we over het enorme sandur: een uitgestrekte vlakte van zwart zand en stenen, doorsneden door kleine riviertjes die als aders door het landschap lopen. Met de gletsjers op de achtergrond leek het alsof we opnieuw door een buitenaardse woestijn liepen.

Boven op de heuvel werden we beloond met een spectaculair uitzicht. Daarna splitste de groep. Luciano ging nog voor een extra heuvel, uiteraard, terwijl ik koos voor de groep die de kortere route wilde lopen. Mijn voeten waren moe en de weg terug naar Langidalur bleek verrassend pittig: steile stukken, scheeflopende paden, grotten en smalle slingerpaadjes die je dwingen om goed op te letten.



Terug in Langidalur was het nog maar twee kilometer naar Husadalur, maar die voelden als de finale. Daar wachtte een luxe: een sauna, een bar en een restaurant met (vegetarische) burgers. Na dagen uit zakjes eten smaakte die burger alsof hij uit een Michelin-keuken kwam. En het simpele idee van op een stoel zitten? Goud.
Na het eten doken we de sauna in. Een houten ton vol warmte en stilte, precies wat onze vermoeide lijven nodig hadden.


Tijdens de afsluitende briefing deelden mensen hun mooiste momenten. Een vader vertelde zichtbaar geëmotioneerd hoe bijzonder het was om dit samen met zijn dochter te doen. Ik voelde een traan opkomen en niemand keek daar raar van op.
Misschien is dat wel het mooiste van een georganiseerde reis die fysiek en mentaal uitdagend is: je beleeft de highs en lows samen. Je deelt pijn, lachbuien, twijfels en verhalen. Luciano liep soms in zijn eigen tempo, maakte onderweg meer praatjes dan de gemiddelde gids, maar toch voelde het nooit alsof we ver van elkaar vandaan waren.
Terug naar de bewoonde wereld
We stapten in een enorme 4×4 Yetibus, je zou niet zeggen dat er dertig man in past, maar geloof me: het lukt. Duffelbags bovenop, wij erin, en hup: terug richting de bewoonde wereld. Toch bleef er wat spanning hangen. De bus moest een brede rivier door, met een stroming waar je zelf nooit vrijwillig zou instappen. Halverwege klonk er een hard schrapend geluid onder de wielen. Reed hij over een steen? Iedereen spande zijn bilspieren aan.
Aan de overkant haalde iedereen opgelucht adem. De chauffeur stapte even uit, dook onder de bus,“iets zat los”, zei hij luchtig, en een minuut later reden we alweer verder, alsof dit de normaalste ochtendrit was.

Langzaam verdwenen de gletsjers uit beeld en maakten de bergen plaats voor vlak terrein. Bij Seljalandsfoss werd het contrast pas echt pijnlijk duidelijk: selfiesticks, tourbussen, mensen… overal mensen. Na dagen vol wind, zand en stilte stonden we ineens weer in het toeristische IJsland. Het voelde alsof je na een week in de wildernis een mall binnenstapt: dezelfde plek, totaal andere wereld. Een beetje verdrietig vond ik het zelfs.



Terug bij het basecamp bij Reykjavik reisden sommigen meteen door, maar wij zetten nog een laatste keer onze tent op. Spullen laten drogen, schoenen uit, snel naar Rejkjavik voor een laatste avond met de groep. Een wijntje erbij, een beetje napraten over modder, blaren en hoogtepunten, en dan terug voor een paar uurtjes slaap.
Of nou ja… “slaap”.
Om 2.00 uur ging de wekker alweer. Bus naar Keflavik met stoffige tassen. Onderweg stopten we nog bij een uitkijkpunt waar rook uit het landschap omhoog kwam: de vulkaan Sundhnúksgígar was gisteren opnieuw uitgebarsten, de twaalfde keer sinds 2021. Een spectaculair einde van een onvergetelijke week.


Waarom The Iceland Trail (en niet zelf alles uitpluizen)?
Toen we terugreden richting de bewoonde wereld en de rook van de vulkaan achter ons omhoog zag trekken, dacht ik vooral: geen idee hoe we dit zelf hadden moeten plannen. Dat is precies waarom The Iceland Trail werkte voor ons, op deze reis.
Alles is geregeld: route, vervoer, campings en als je wilt ook eten. Jij hoeft alleen maar te lopen (en soms een rivier door te waden). Let op dat je sommige dingen moet bijboeken.
Je hoeft geen groepsdier te zijn (ik ben dat dus echt niet). Iedereen loopt in zijn eigen tempo. Luciano (ultrarunner) vloog vooraan, ik sloot vaak bijna de rij. Dankzij de gidsen verspreid over de groep voelde dat altijd relaxed.
Geen 18 kilo op je rug? Kan gewoon. Er is bagagevervoer. Zelf dragen mag ook, maar wij gingen liever licht.
En dan die kampeerplekken midden in de natuur, offline, zonder ruis. Beter wordt het niet.
Kan iedereen dit?
Veel mensen denken dat je superfit moet zijn om deze trail te doen. Dat hoeft niet. Maar alleen wat kilometers in Nederland maken is ook niet genoeg. Een paar trainingen met hoogtemeters (desnoods op de trap of een flinke heuvel in Nederland) helpen echt, en goede gear maakt het verschil tussen afzien en comfortabel-afzien. Denk warme lagen, (merino!)sokken die niet na twee uur om een wissel smeken en schoenen waarin je niet na tien kilometer denkt, had ik maar duurdere gekocht. Met een beetje voorbereiding wordt dit avontuur vooral genieten, soms even vloeken, I know I did. En daarna wel weer genieten.
Ga jij in 2026 mee op The Iceland Trail?
Wil je erbij zijn in 2026? Boek dan nu je reis, The Iceland Trail is voor de zomer van 2026 is nu te boeken. Pak de Early Bird prijs mee en scoor je de datum die jij het liefst wilt.


